Terug naar website Pensioenscheiden

Onderstaand antwoord ontving ik op de volgende brieven aan het Ministerie van Sociale Zaken :

2017.07.06 - In zake problemen m.b.t. scheidingen na 1 mei 1995

2017.07.06 - In zake problemen m.b.t. scheidingen voor 1 mei 1995

 

Ministerie van Sociale zaken en werkgelegenheid    18 juli 2017                                                                                                          

Aan:     
P. G. J. Jung                                                                                               
Van Harenstraat 10                                                                                   
8471 JD  WOLVEGA                                                                                 

 

Betreft:  Pensioenverevening          
Uw referentie: 6 juli 2017                        Onze referentie: 2017-00001200017     


Geachte heer Jung,

Ik heb kennis genomen van uw bovengenoemde brief in reactie op het antwoord dat u van mij op 20 maart 2017 hebt ontvangen over de pensioenverdeling bij scheiding.

Ik dank u voor het toesturen van uw brief. Het spijt mij te vernemen dat u niet tevreden bent met de antwoorden die u eerder van mij over dit onderwerp hebt ontvangen. Uw brief geeft mij echter geen aanleiding voor een nadere inhoudelijke toevoeging aan voorgaande correspondentie met u over dit onderwerp.

Zoals ik u in mijn brief van 20 maart jl. heb aangegeven mag in zijn algemeenheid worden verwacht dat pensioenfondsen zich richten naar de jurisprudentie die zich heeft ontwikkeld en de betrokkenen inzicht geven in de wijze van berekening, zodat deze in de gelegenheid worden gesteld om dat te beoordelen, Blijft er desondanks een geschil over de verdeling van pensioenrechten, dan is het uiteindelijk aan de kantonrechter om over een redelijke en billijke verdeling te oordelen.

Voor de goed orde merk ik nog op dat uw eventuele volgende brieven, voor zover zij over hetzelfde onderwerp gaan, niet meer beantwoord zullen worden.

Met vriendelijke groet,

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
namens deze,

Drs. P.J.A. Idenburg
Directeur Communicatie

 

Onderstaand antwoord ontving ik op de volgende brieven aan het Ministerie van Sociale Zaken en ..:
2017.01.30 - mbt het ABP
2017.02.09 - mbt Siemens PME
2017.02.16 - mbt NN

 

Ministerie van Sociale zaken en werkgelegenheid    20 maart 2017                                                                                                     

Aan:     
P. G. J. Jung                                                                                               
Van Harenstraat 10                                                                                   
8471 JD  WOLVEGA                                                                                 

 

Betreft:  Boon van Loon  Onze referentie: 2017-0000036702     


Geachte heer Jung,

In uw brieven van 30 januari, 9 februari en 16 februari jl. brengt u uw ongenoegen over het te hoog vaststellen van het te verrekenen pensioen onder mijn aandacht. Dank voor uw brieven. In reactie merk ik graag het volgende op.

De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS) is in 1995 in werking getreden. Deze wet regelt dat ex-partners bij echtscheiding aanspraak kunnen maken op een gedeelte van het pensioen dat hun ex-partner tijdens het huwelijk heeft opgebouwd. Op scheidingen die hebben plaatsgevonden voor 1 mei 1995 is de Wet VPS niet van toepassing. In dat geval gelden de regels van het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981 (het Pensioenarrest). Tenzij de ex-partners een andere regeling hebben afgesproken, vallen volgens deze regels de waarde van een deel van het ouderdomspensioen en de waarde van een deel van het bijzonder nabestaandenpensioen in de gemeenschap. Het is aan het pensioenfonds om hier verder uitvoering aan te geven.

In zijn algemeenheid mag worden verwacht dat pensioenfondsen zich richten naar de jurisprudentie die zich heeft ontwikkeld en de betrokkenen inzicht geven in de wijze van berekening. Jurisprudentie is een belangrijk onderdeel van onze rechtspraak waarmee rechtsongelijkheid kan worden voorkomen. Blijft er desondanks sprake van een geschil over de verdeling van pensioenrechten, dan is het uiteindelijk aan de kantonrechter om over een redelijke en billijke verdeling te oordelen. Indien betrokkene het niet eens is met de uitspraak van de kantonrechter, kan hoger beroep worden aangetekend. Op deze wijze hebben we in Nederland georganiseerd dat me via een onafhankelijke arbiter kan laten beoordelen of wetten goed worden uitgevoerd.

Ik hoop u met deze toelichting van dienst te zijn geweest en wens u alle goeds toe.

Met hartelijke groet,

 

Jette Klijnsma
Staatssecretaris van Sociale Zaken

Commentaar1:
Er valt niet een deel van de waarde van het ouderdomspensioen en een deel van de waarde van het bijzonder nabestaandenpensioen in de gemeenschap, maar de waarde van het gehele ouderdomspenisoen en de waarde van het gehele bijzonder nabestaandenpensioen vallen in de gemeenschap.

Commentaar2:
De Staatssecretaris geeft aan dat in zijn algemeenheid verwacht mag worden dat pensioenfondsen betrokkenen inzicht geven in de wijze van berekening. Nou .... dat is nu precies wat o.a. het ABP niet meer doet! Vele andere pensioenuitvoerders verstrekken alleen opgave van de contante waarden en niet van de aanspraken.

Commentaar3:
Naar de kantonrechter kan je zonder advocaat. In Hoger Beroep heb je een advocaat nodig. En wie .... kan dat betalen!

 

Laatstelijk aangepast: 24 september 2017